INHOUD INDICE
00 - De klemtoom. Acento
01 - Schrijftekens.
01 - Het lidwoord (enkelvoud). El articulo (singular)
02 - Het lidwoord (meervoud). El articulo (plural)
03 - Het zelfstandig naamwoord. El sustantivo
04 - Het bijvoeglijk naamwoord. El adjetivo
05 - De aanwijzende voornaamwoorden. Los pronombres demostrativos
06 - Neen, Niet No
07 - Bezittelijke voornaamwoorden Los pronombres posesivos
       (zonder nadruk). (sin acento)
08 - Bezittelijke voornaamwoorden (met Los pronombres posesivos
       nadruk) (con acento)
09 - Vragende voornaamwoorden Los pronombres interrogativos
10 - De onbepaalde voornaamwoorden Los pronombres indefinidos
11 - Men Se
12 - Hoofd - en rangtelwoorden Números cardinales u números ordinales
13 - Het lijdend voorwerp. El complemento directo
14 - Het persoonlijk voornaamwoord na El pronombre personal con la preposición 
      een voorzetsel. antepuesta
15 - De plaatsing van het persoonlijk Uso de pronombres personales
      voornaamwoord.
16 - Het meewerkend voorwerp. El complemento indirecto
17 - Het persoonlijk voornaamwoord El pronombre personal después de la
      achter de werkwoordsvorm. voz del verbo
18 - Het werkwoord gustar. El verbo gustar
19 - Wederkerende werkwoorden. Los verbos reflexivos
20 - Het werkwoord "zijn". Los verbos ser y estar
21 - De regelmatige werkwoorden op Los verbos regylares en -ar, -er, -ir
     -AR, -ER, en IR. (tegenw,tijd) (presente)
22- De persoonlijke voornaamwoorden Los pronombres personales
23 - Er is, Er zijn. Hay
24 - Moeten (hay que, tener que, Hay, que, tener que, deber, haber de
      deber, haber de)
25 - Toekomende en verleden toekomende tijd Condicional y futuro
26 - De onvoltooid verleden tijd. Imperfecto, pretérito definido
27 - Het gebruik van de Imperfecto. Uso del imperfecto
28 - Het gebruik van de Pretérito Definido Uso del pretérito definido
29 - Het gerundium. El gerundio
30 - De Voltooid tegenwoordige tijd met Pretérito perfecto
      hebben als hulpwerwoord en hebben 
      als bezitten.
31 - Overzicht van de vervoeging van het Cuadro sinóptico de las desinencias
       Spaanse werkwoord (regelmatig) de los verbos regulares
32 -  De aanvoegende wijs, El subjuntivo (presente)
       tegenwoordige tijd.
33 -  De subjuntivo in onderwerpzinnen en Uso del subjuntivo en la oración
       voorwerpzinnen. sujeto y la oración complementaria
34 - De aanvoegend wijs, verleden tijd. El subjuntivo (imperfecto)
35 - De gebiedende wijs. El imperativo
36 - De vorming van de bijwoorden. La farmación de los adverbios
37 - Bijwoorden die, inhet Spaans worden
      uitgedrukt door een werkwoord.
38 - Het voorzetsel   a La preposición  a
39 - De trappen van vergelijking. Los grados de comparación
40 - De voorzetsels  Para  en  Por Las prepociones para y por
41 - Het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord. La prepoción "de" - indica posesión
42 - De betrekkelijke voornaamwoorden "Die" en "Dat". El pronombre relativo "que" 
43 - Het lidwoord van onbepaaldheid. El artículo neutro
44 - Onregelmatigheden van het werkwoord. Irregulariades de los verbos
45 - Schema van de onregelmatige werkwoorden Esquema de los verbos irrugulares
Hoofdregels van de spraakkunst