00 - De klemtoom.
a - Indien het woord eindigt op een klinker, -n, of -s, valt de klemtoon op de voorlaatste
     lettergreep
Voorbeelden: Holanda, chocolate, gracias, Bilbao, farmacia.
b - Eindigt het woord op een andere medeklinker dan -n of -s, dan valt de klemtoon
     op de laatste lettergreep.
Voorbeelden: señor, hotel, fatal, Jerez, comprar.
Ligt de klemtoon op een andere lettergreep dan bij a en b is vermeld, dan wordt een
accentteken geplaatst.
Voorbeelden: también, allí, Málaga, Cádiz, teléfono, adiós.
01 - Schrijftekens.
.   = el punto
,   = la coma
;   = el punto y coma
:   = dos puntos
… = puntos suspensivos
?  = la interrogación
!   = la exclamación
( ) = el paréntesis
_   = la raya
-   = el guión
"" = las comillas
   = el acento ortográfico
~ = tilde
Vraag- en uitroeptekens worden ook vóór de vraag en de uitroep geplaatst, hoewel deze
daar dan omgekeerd staan.
Een accent wordt geplaatst:
a - op vragende voornaamwoorden, bv. ¿ qué ? ,  ¿ dónde ? ,  ¿cómo ?
b - om woorden met dezelfde uitspraak, maar met verschillende betekenis van elkaar
     te onderscheiden, bv. Tú en tu,    en mi,    él en el,    más en mas,    en si.
De tilde is het teken boven de  ñ