15 - De plaatsing van het persoonlijk voornaamwoord.
In de regel worden persoonlijke voornaamwoorden voor het werkwoord geplaast.
Mi padre usa palabras dificiles Mijn vader gebruikt moeilijke woorden
Mi padre la usa  Mijn vader gebruikt ze (4e naamval)
Mi hermano sabe español Mijn broer kent Spaans
Mi hermano lo sabe mijn broer kent het (4e naamval)
¿ Conoces a su padre ? Ken jij zijn vader ?
Si, lo conozo Ja, ik ken hem (4e naamval)
¿ Conoce usted a su hermana ? Kent u zijn zuster ?
No, no la conozo. Neen, ik ken haar niet (4e naamval)
Doy el libro a pedro Ik geef het boek aan Pedro
Le doy el libro Ik geef hem het boek (3e naamval)
Se le doy a pedro Ik geef het aan pedro (4e naamval)
Te regalo cuatro naranjas, Juanita. Ik geef je vier sinaasappelen, Juanita (3e naamval)
Te las regalo Ik geef ze je ("ze"is 4e naamval en "je"is 3e naamval)
In drie gevallen worden de persoonlijke voornaamwoorden achter het werkwoord geplaatst en
eraan vast geschreven:
1 - Achter een onbepaalde wijs, Infinitivo:
No quiero darlo ik wil het niet geven
2 - Achter een Gerundio:
Estoy contándole ik ben het hem aan het vertellen
3 - Achter een bevestigende gebiedende wijs:
¡ Déme usted ! geeft u mij !
¡ Dime tú ! zeg jij me !
Maar:
¡ No me dé usted ! geeft u mij niet !
¡ No me digas ! zeg mij niet !
De ontkenning no komt nu vóór  het persoonlijk voornaamwoord, niet direct voor het
werkwoord, zoals wij reeds hebben gezien in hoofdstuk 6.
Wanneer in het Spaans een persoonlijk voornaamwoord van de derde naamval en een
persoonlijk voornaamwoord van de vierde naamval bij elkaar staan, komt de vierde
naamval altijd na de derde.
Jaime me da un libro Jaime geeft mij een boek
Jaime me lo da Jaime geeft het mij
Juanita nos canta una copla Juanita zingt een liedje voor ons
Juanita nos nos la canta Juanita zingt het voor ons.
Opmerking:
               lo(s)
               lo(s)
le(s) +  se +
               la(s)                la(s)
Voor een goed begrip van de nu volgende spraakkunstaantekeningen is het nuttig
enige termen eerst nader toe te lichten.
In de 1e naamval staan die woorden, die onderwerp zijn van de zin, dat wil zeggen: 
die personen of zaken, die handeling verrichten.
Jaime plaagt zijn zusje. (dit is de zogenaamde "bedrijvende vorm")
Jaime wordt geplaagd door zijn zusje. (dit is de zogenaamde "lijdende vorm")
In de 4e naamval staan de woorden, die het voorwerp zijn van de handeling.
Wij noemen deze woorden lijdend voorwerp.
Jaime geeft Isabel een bloem
Juan plaagt zijn zusje
In de 3e naamval staan de woorden, dus personen of zaken, waarvoor de handeling
bestemd is.
Voor deze woorden kan men meestal "aan" of "voor" denken.
Wij spreken dan van meewerkend voorwerp.
Jaime geeft (aan) Isabel een bloem.