20 - Het werkwoord "zijn".
In het Spaans zijn er twee werkwoorden voor het Nederlandse "zijn" ;
1) - estar - zijn (=zich bevinden)
Hij is (=bevindt zich) in de kamer Está en el cuarto
Wij zijn (=zich bevinden ons) in de eerste les Estamos en la primera lección
en ook: Ik ben ziek
2) - ser - zijn; ser duidt een blijvende eigenschap aan.
Hij is vliegenier
De kinderen zijn jong
In deze laatste twee voorbeelden is "zijn" een koppelwerkwoord en wordt dus gevolgd
door een bijvoeglijk naamwoord of een zelfstandig naamwoord;
in deze gevallen is "vliegenier" (zelfstandig naamwoord) en "jong" (bijvoeglijk naamwoord)
de vormen van de tegenwoordige tijd van deze werkwoorden zijn:
estar (=zich bevinden) ser = zijn (blijvende eigenschap)
yo estoy ij ben yo soy 
estás jij bent eres
él está hij is él es
ella está zij is ella es
usted está u is usted es
nosotros estamos wij zijn nosotros somos
vosotros estáis jullie zijn vosotros sois
ellos están zij (m) zijn ellos son
ellas están zij (vr.) zijn ellas son
ustedes están u (mv) bent ustedes son
Het gebruik van SER en ESTAR
Ser wordt gebruikt, als het om vaste, essentiële eigenschappen van het onderwerp
gaat, bijvoorbeeld:
la casa es alta  het huis is hoog
Men gebruikt ook ser, wanneer het naamwoordelijk deel van het gezegde een zelfstandig
naamwoord is, bv.:
Mi hermano es amigo de Alfonso Mijn broer is een vriend van Alfons
Estar wordt gebruikt, wanneer het om een bijkomstige of (pas) ingetreden toestanden
gaat, bijvoorbeeld:
La toalla está húmeda De handdoek is nat
las callas están limpias De straten zijn schoon
Estar is ook de vertaling van het zelfstandig naamwoord zijn (zich bevinden) bij
plaatsbepalingen, bv.:
Nuestra casa está en Madrid Ons huis is in Madrid
Estar komt veel voor met een Gerundio (tegenwoordig deelwoord), bv.:
Estoy escribiendo Ik zit te schrijven
Voorts is ser nog de vertaling van worden (hulpwerkwoord van de lijdende vorm) bv.:
La casa es construida Het huis wordt gebouwd
La casa ha sido construida Her huis is gebouwd
Nog enige details over het gebruik van SER en ESTAR.
Ser wordt gebruikt in onpersoonlijke uitdrukkingen met een bijvoeglijk naamwoord.
Es posible Het is mogelijk
Es necesario Het is nodig
Ser geeft afkomst, oorsprong aan, bv.:
Soy de Mdrid Ik kom uit madrid
Bij het aangeven van uren en tijden wordt uiteraard het werkwoord ser gebruikt, bv.:
El concierto es a las nueve Het concert is om negen uur.
Estar wordt gebruikt in onpersoonlijke uitdrukkingen met een bijwoord:
Está bien Het is goed
eatá mal het is verkeerd
Claro está Natuurlijk
Estar  betekend werkzaam zijn als, bv.:
Está de embajador en Méjico Hij is ambassadeur in Mexico
Estar a punto betekend op het punt staan om, bv.:
Mi madre está a punto de salir Mijn moeder staat op het punt om uit te gaan.
Estar por heeft betrekking op iets, dat nog moet worden gedaan, bv.:
la comida está por preparar De maaltijd moet nog klaargemaakt worden.