21 - De regelmatige werkwoorden op -AR, -ER, en IR. (tegenw,tijd)
Werkwoord op -AR
comprar kopen
compr-o ik koop
compr-as jij koopt
compr-a hij (zij,u) koopt
compr-amos wij kopen
compr-áis jullie kopen
compr-an zij  kopen
compr-ar kopen
compr-ando kopende
compr-ado gekocht
Werkwoord op -ER
comer eten
com-o ik eet
com-es jij eet
com-es hij (zij,u) eet
com-emos wij eten
com-éis jullie eten
com-en zij  eten
com-er eten
com-iendo etende
com-ido gegeten
Werkwoord op -IR
partir vertrekken
part-o ik vertrek
part-es jij vertrekt
part-es hij (zij,u) vertrekt
part-imos wij vertrekken
part-is jullie vertrekken
part-en zij  vertrekken
part-ir vertrekken
part-iendo vertrekkende
part-ido vertrokken