| 22- De persoonlijke voornaamwoorden | |||
| De persoonlijke voornaamwoorden yo, tú enz. plaatst men alleen bij de werkwoordsvorm, | |||
| wanneer nadruk vereist is of als er een misverstand zou kunnen ontstaan. | |||
| (De werkwoordsvorm van de 3e persoon enkelvoud kan bv. Drie onderwerpen hebben, | |||
| namelijk hij, zij en u (ev). In het algemeen worden deze voornaamwoorden echter weggelaten, | |||
| omdat de uitgang van de werkwoordsvorm al voldoende aangeeft welke persoon onderwerp is. | |||
| Voorbeelden: | |||
| Yo canto y tú saltas a la comba | Ik zing en jij springt touwtje. | ||
| Ellos son fuertes pero ustedes non son fuertes | Zij zijn sterk, maar u (mv) bent niet sterk. | ||