38 - Het voorzetsel   a
Het voorzetsel  a  wordt gebruikt:
na werkwoorden, die een richting of een beweging aangeven.
 ¡vamos a casa ¡ laten wij naar huis gaan !
Vamos a ver Eens kijken
Parten a madrid Zij vertrekken naar Madrid
vóór het lijdend voorwerp, wanneer dit een bepaalde aangewezen persoon is.
Veo a mi padre ik zie mijn vader
¿ llamas a tu hermano ? Roep je je broer ?
La madre quiere a los hijos De moeder houdt van haar kinderen
Me gusta conocer a tu padre Ik vind het prettig je vader te kennen
(of: te leren kennen)
als vertaling van "aan" (bestemd voor)
Doy las flores a mi madre ik geef de bloemen aan mijn moeder
Escribe una carta a su novia Hij schrijft een brief aan zijn meisje
Enige voorbeelden van het gebruik van  a :
a las seis de la tarde om zes uur 's middags
echar una carta al correo een brief op de post doen
al dia siguiente de volgende dag
a principios de junio begin juni
a mediados de septiembre midden september
a fines de marzo eind maart
a diez kilómetros de Valencia op tien kilometer van valencia
a las española op zijn Spaans
a la última moda naar de laatste mode
a toda prisa in allerijl
llegar a Madrid aankomen te Madrid
a vuelta de correo per omgaande
estar al corriente op de hoogte zijn
a precio fijo tegen vaste prijs
a dos pesetas al metro tegen twee peseta's per meter