DE HOOFDREGELS VAN DE SPRAAKKUNST.
De vervoeging van het werkwoord hebben:
Tener Haber
tengo he
tienes has
tiene ha
tenemos hemos
tenéis habéis
tienen han
Het gebruik van het werkwoord hebben;
hebben - bezitten hebben (hulpwerkwoord)
Er staat een lijdend voorwerp bij. Er staat altijd een verleden deelwoord bij.
Tengo un libro He comprado
Alle werkwoorden vervoegd met 
het werkwoord haber
He salido
Ik ben vertrokken
¿ Ha comprado usted el libro ?
Heeft u het boek gekocht ?
Er mag nooit iets tussen het hulpwerk-
woord en het verleden deelwoord staan
Tener que - moeten
Tengo que comprar.
Ik moet kopen
Het werkwoord zijn  (koppelwerkwoord)
Ser Estar
soy  estoy
eres estás
es está
somos estamos
sois estáis
son están
Het gebruik van werkwoord zijn:
Voor wezelijke eigenschappen Voor veranderde of bijkomstige
toestanden
Bij een plaatsbepaling
Hay = er is, er zijn.
Bijvoeglijke naamwoorden
Overeenstemming
El tren es largo De trein is lang
Los trenes son largos De treinen zijn lang
La casa es alta Het huis is hoog
Las casas son altas de huizen zijn hoog
Regel: Het naamwoordelijk deel van het gezegde verandert naar het onderwerp.
De vrouwelijke vorm
Een aparte vorm voor het omzetten in de vrouwelijke vorm:
De bijvoeglijke naamwoorden, die eindigen op  o : largo - larga
De bijvoeglijke naamwoorden van nationaliteit:
Er wordt een  a  achtergevoegd.
español - española
holandés - holandesa
De overige bijvoeglijke naamwoorden veranderen niet.
Grande - gran
Grande wordt voor een zelfstandig naamwoord enkelvoud mannelijk en een zelfstandig
naamwoord enkelvoud vrouwelijk afgekort tot  gran.
Bijvoorbeeld:
Un gran armario
Una gran fiesta
Bueno, malo, primero enz.
Deze bijvoeglijke naamwoorden worden alleen voor een mannelijk zelfstandig
naamwoord enkelvoud afgekort tot buen,mal, primer enx.
Bijvoorbeeld:
Un buen hombre
Un mal dia
El primer mes
Persoonlijke voornaamwoorden
Onderwerp
yo 
el (ella)
nosotros (nosotras)
vosotros (vosotras)
ellos (ellas)
U = usted (Ud.), enkelvoud,   Ustedes (Uds.) meervoud en krijgt de   derde persoon
van het werkwoord.
Men = se  plus de derde persoon van het werkwoord.
Bezittelijke voornaamwoorden.
mannelijk
mi hermano mijn mis
tu jouw tus
su zijn (haar) sus
nuestro onze nuestros
vuestra jullie vuestros
su hun (haar) sus
vrouwelijk
mi hermana mijn mis
tu jouw tus
su zijn (haar) sus
nuestro onze nuestros
vuestra jullie vuestros
su hun (haar) sus
Uw = su. Su kan betekenen: zijn, haar, uw en hun.
Aanwijzende voornaamwoorden.
deze mannelijk este hombre
estos hombres
vrouwelijk esta mujer
estas mujeres
die mannelijk ese hombre aquel hombre
esos hombres aquellos hombres
vrouwelijk esa mujer aquella mujer
esas mujeres aquellas mujeres
Opmerking:
Het mannelijk enkelvoud - este, ese en aquel.
Vragende voornaamwoorden.
wie ? ¿ quién ?
wat ?, welke ? ¿ qué ?
Betrekkelijke voornaamwoorden.
die (dat) que
De man, die u zoekt, is niet thuis El hombre que busca usted no está en casa
Meer ingewikkelde vormen zijn:
el que el cual
la que la cual
los que los cuales
las que las cuales
Deze betrekkelijke voornaamwoorden worden vertaalt met welke
Wiens - cuyo Wat = hetgene, dat = lo que.
De vergrotende trap en de overtreffende trap
een hoog huis una casa alta
een hoger huis una casa más alta
het hoogste huis la casa más alta
Vergelijkingen
even …. als tan …… como 
evenveel ….. als   tanto(s) …..como
Een huis, even hoog als de kerk Una casa tan alta como la iglesia
Evenveel huizen als in mijn straat Tantas casas como en mi calle
de meesten la mayoría de los (las)
De werkwoorden moeten, kunnen en willen
moeten - tener que tengo que comprar
tienes que
tiene que
tenemos que
tenéis que
tienen que
kunnen - poder puedo comprar
puedes
puede 
podemos
podéis
pueden
willen - querer quiero comprar
quieres
quiere 
queremos
queréis
quieeren
Men moet kopen Hay que comprar
Wederkerend werkwoorden
llamarse
me llamo
te llamas
se llama
nos llamamos
os llamáis
se llaman
De voornaamwoorden worden mééstal vóór de werkwoordsvorm geschreven, maar achter:
de onbepaalde wijs
de gebiedende wijs bevestigend
het Gerundio (tegenwoordig deelwoord)
De Imperfecto en de Pretérito definido
Het gebruik:
Imperfecto: langduruge toestand
Pretérito definido korte handeling
De vorming:
werkwoorden op -ar werkwoorden op -er en -ir
Imperfecto -aba -ía
Pretérito definido -é, -asta en -ó -í, -iste en -ío
De vorming van de Sujuntivos
De Presente
Deze wordt afgeleid van de tegenwoordige tijd van de aantonende wijs.
werkwoorden op -ar Indicativo op -a Subjuntivo op -e
werkwoorden op -er en -ir Indicativo op -e en -i Subjuntivo op -a
De Imperfecto
De Imperfecto wordt afgeleid van de derde persoon meervoud van de Pretorito definido:
men verandert -ron in -ra
Het gebruik van de Subjuntivo
De Subjuntivo wordt gebruikt in bujzinnen en is afhankelijk van woorden, die uitdrukken:
wens, bevel, noodzaak.
twijvel, mogelijkheid, ontkenning.
gevoel
na voegwoorden, onder andere: para que opdat
sin que zonder dat
antes de que voordat
como si alsos
De Imperativo
Voor de gebiedende wijs gebruikt men de vormen van de Subjuntivo Presente, behalve:
voor de vertrouwelijke vormen (jij en jullie) van de bevestigende gebiedende wijs.
Deze vormen vindt men als volgt
compra - koop (jij) Deze vorm is gelijk aan de 3e persoon enkelvoud
van de Presente: hij koopt
comprad - koopt (jullie) Deze vorm lijkt op de onbepaalde wijs; in plaats
van de eind -r staat er een d.
Het werkwoord worden
Koppelwerkwoord Ponerse
a) - het huis wordt oud La casa se pone vieja
b) - De lijdende vorm
1 - Omschrijving met de wederkerende vorm
     Het huis wordt verkocht La casa se vende
     Het huis verkoopt zich La casa se vende
2 - Ser met veranderlijk verleden deelwoord
     Het huis wordt verkocht La casa es vendida
     Het huis is verkocht geworden La casa ha sido vendida
Persoonlijke voornaamwoorden
Als onderwerp
yo nosotros (-as)
vosotros (-as)
el (usted) ellos
ella ellas
Als meewerkend voorwerp
me
te
le
nos
os
les
Als lijdend voorwerp
me
te
le
lo
la
nos
os
les
los
las
personen dingen personen en dingen
mannelijk mannelijk vrouwelijk
les lo  wordt  se lo le  lo  wordt  se lo
Na voorzetsels
para mí voor mij
para tí voor jou
para él voor hem
para nosotros voor ons
para vosotros voor jullie
para ellos voor hen
  EINDE  
Enkelvoudige zin  oración simple
onderwerp sujeto
bepalingen complementos
lijdend voorwerp complemento directo
meewerkend voorwerp complemento indirecto
bijwoordelijke bepaling complementoscorcunstanciales
van: tijd, plaats, hoedanigheid
samengestelde zin oraciones coordinadas
zinslid safhankelijk van de oración principal
hoofdzin
bijzin oración subordinada
Bijvoeglijk naamwoord adjetivo
persoonlijk voornaamwoord pronombre personal
bezittelijk voornaamwoord pronombre posesivo
aanwijzend voornaamwoord pronombre demostrativo
pronombre demostrativo pronombre interrogativo
vragend voornaamwoord pronombre interrogativo
vergrotende trap comparativo
overtreffende trap superlativo
werkwoord verbo
wederkerend voornaamwoord pronombre reflexivo
wederkerend werkwoord verbo pronominal